Terug naar concert

Toelichting op het programma van het concert van het Alma Quartet


“In de beperking toont zich de Meester.”
Deze uitspraak van Goethe slaat tegenwoordig ook op de uitvoerende kunst in corona-tijd.
Publiek ver uit elkaar, kortere optredens.
Ook het Alma Kwartet beperkt zijn programma's en wel tot een uur muziek.
Het ensemble kiest voor vanavond ‘slechts’ twee strijkkwartetten.
Maar de keuze is meesterlijk. De musici presenteren twee topstukken uit de kwartet-literatuur:
het ‘Sonnenaufgang’- kwartet van Haydn en het Strijkkwartet van Ravel.
Joseph Haydn hield van het genre. Hij had al tientallen strijkkwartetten gecomponeerd, toen hij in 1797 aan zijn Strijkkwartet opus 76 nr. 4 in Bes groot, bijgenaamd ‘Sonnenaufgang’ begon.
Het kwartet was het vierde in een serie van zes opgedragen aan graaf Joseph von Erdödy, de raadsheer van de keizer van Oostenrijk.
Het strijkkwartet vertegenwoordigt vele aspecten van Haydns meesterschap. Het begin van het Allegro con Spirito is verrassend. Twee omhooggaande motieven in de eerste viool suggereren de zonsopgang. Voorzichtig en kwetsbaar. Dan barst Haydn los in een spel van snelle loopjes tussen de vier instrumenten. Maar de ‘zonsopgang’ laat hem niet los. Steeds opnieuw tempert dat tere gedeelte de geestdriftige passages, die de drijfveer vormen van het eerste deel.
Rust en een lichte melancholie beheersen het Adagio. Een eenvoudig motief en voortschrijdende akkoorden worden afgewisseld met versieringen in de viool en de cello.
Het Menuetto heeft de typische volkse sfeer waar Haydn om bekend staat. Hij lardeert zijn dansritmes met accenten en lange tonen in de laagte, die doen denken aan een doedelzak.
Als een showpiece spettert de Finale. Haydn combineert een levendig tempo met onverwachte accenten en vertragingen. Aan het slot gaat alles in de versnelling, klinkt er nog een flard van een fuga en eindigt dit strijkkwartet met een paar uitbundige slotakkoorden.
Haydn, Mozart en Beethoven componeerden gezamenlijk zo'n honderd strijkkwartetten. In Frankrijk verscheen geen enkel exemplaar tot het einde van de 19e eeuw. Op de conservatoria beschouwden leerlingen compositie het strijkkwartet als een leerstuk. Hector Berlioz, componist van groots opgezette werken, keek zelfs neer op het genre en vond het pretentieus. Gabriel Fauré voltooide in 1924 zijn enige strijkkwartet; zijn laatste compositie, hij was 78 jaar.
Niettemin behandelde ook hij met zijn leerlingen aan het Conservatorium van Parijs het strijkkwartet. Lange tijd sorteerde dit weinig effect. De leerlingen bleven afkering van dit soort kamermuziek. Claude Debussy doorbrak de traditie en componeerde in 1893 zijn Strijkkwartet in g klein; ook het enige kwartet dat hij schreef. Natuurlijk stond zijn strijkkwartet ver af van de klassieke strijkkwartetten van Haydn. Weliswaar had het muziekstuk dezelfde vierdelige vorm als de kwartetten van Haydn, maar de componist uit het einde van de 19e eeuw werkte met zwevende akkoorden en kernmotieven, die hij eindeloos varieerde.
Fauré was onder de indruk van de durf waarmee Debussy de Franse vooroordelen doorbrak.
In 1903, tien jaar na de publicatie van Debussy‘s strijkkwartet, besloten zijn studenten gezamenlijk een kwartet te componeren. Ze wilden daarmee eer bewijzen aan Debussy.
Niemand was daartoe echt in staat, behalve Maurice Ravel. Hij schiep zijn Strijkkwartet in F groot in april 1903. Ravel bewonderde de muziek van Debussy, maar streefde naar meer helderheid en duidelijke ritmiek. Het Allegro Moderate -Très doux opent met een golvend thema dat op verschillende hoogtes wordt herhaald en met snelle versieringen en tremolo’s ondersteund wordt. Ravel laat de muziek vertragen en aanzwellen. Een tweede melodie heeft een meer donkere tint. De zachtheid overheerst. Zacht klinkt ook het einde met pizzicato's in de altviool en de cello.
Ravel geeft ieder van de vier instrumenten de ruimte. In Assez vif-Très ritmé bepalen tremolo's en pizzicato's het felle ritme. De cello zet een langzame melodie in, die voorzichtig door de altviool en de twee violen wordt overgenomen. De pizzicato's komen terug en stuwen het tweede deel naar twee grootse slotakkoorden. Très lent in een langzaam tempo bestaat vooral uit lange melodische lijnen in de vier instrumenten. Het golvende thema uit het begin van het kwartet duikt weer op. Plotselinge explosieve intermezzo's onderbreken voor korte tijd de dromerige sfeer vol verlangen. Met een lichtvoetig Vif et agité zet Ravel een krachtig punt achter zijn strijkkwartet. Ook hierin komt het beginthema terug. Onrustig, onstuimig met forse accenten en tegelijkertijd speels.
Ravel rondt zijn kwartet af met een knallend fortissimo. Het werd wereldberoemd.


Els de Boer